Historie

Carnaval , een ondoorgrondelijk verschijnsel

“Dit feest is meer dan een maatschappelijk of nationaal gebeuren, het raakt niet slechts een mensengroep, maar betreft de mensheid zelf in haar geheel. Het is een feest, dat nimmer kan vergaan dan met de mens ”

Vastelavond, de dag voor aswoensdag, het begin van de 40-daagse vasten bij de katholieken, is beslist niet als christelijk feest ontstaan onder het motto van: “nog eens lekker zot doen, voordat de vasten begint” De oorsprong moet worden gezocht bij de vruchtbaarheidsfeesten onder de landelijke bevolking en als zodanig is vastelavond een voor-christelijk gebruik, reeds bij de Grieken bekend.

De naam vastelavond vindt men omstreeks 1400 terug: vastavont, vasteldach, festeldei en fêsteljoun (fries), faswlavn (Noorwegen), fasnacht, fasnet (zuid-west Duitsland), faselnacht. In al deze woorden komt “fas” terug. “Fas” stamt uit het Indo-Germaanse “pes”, uit het Oud-Indische “pasas”,uit het Griekse “pesos” of “peos” en uit het
Latijnse “penis” weer afkomstig van “pes-nis”. Allemaal hebben deze woorden te maken met vruchtbaarheid, groei en voortplanting. Het Middel-Nedelandse “fasäl”, “fazel” of “vazel” betekent ongeboren vrucht.

In Middelhoogduitse kringen komt het “faseln” (gedijen) voor.
In Duitsland spreekt men van “faselfarken” (fokzwijn), “faselhengst” (dekhengst). “Vazel” betekent: geslachtsdeel van vrouwelijk vee. Het tijdstip van het feest valt daarom ook samen met het begin van het ontluiken van de natuur, de tijd van nieuw leven en groei.
Vandaar ook niet “Fastnacht”, dat zou duiden op vasten,
maar “Fasnacht” dat de nadruk legt op een vruchtbaarheidsfeest.
Tegenwoordig komt in Duitsland nog voor: “faseln” (onzin
verkopen) en “Faselei” (leuterpraat) Deze betekenis heeft zich waarschijnlijk uit secundaire opvattingen van astelavond als feest der zotheden ontwikkeld.

De naam “carnaval” deed pas in de 17e eeuw vanuit Italië zijn intrede in het Germaanse taalgebruik. “caro navalis”: vaarwel vlees “carnevale”: vlees leef wel “carnelevare”: wegnemen van het vlees tijdens de vasten (Latijn). Een andere betekenis: “carrus navalis”: scheepswagen. Het rijden van een godheid in een cultische scheepswagen ter bevordering van de vruchtbaarheid vormt het motief voor veel Indo-Germaanse mythen. Deze gebruiken, met als kern het rondrijden, vormen de grondslag voor het vastelavendsfeest.
De scheepswagen kan dan ook beschouwd worden als de voorganger van de carnavalswagens.

Het tegenwoordige carnaval, ontstaan in de 19e eeuw, is voortgevloeid uit het optreden van kleinere gemaskerde groepen op straat en in de herberg. Dit is terug te voeren naar de inwijdingsriten van de oude geheime mannenbonden. Bij de primitieve volken bestond steeds onderscheid in sekse en leeftijd. De overgang in leeftijd (puberteit) ging gepaard met
ceremoniën en geheime inwijdingsriten, waarna men meer
rechten en aanzien bezat. Bezat men de hoogste inwijdingsriten, dan was men lid van de geheime mannenbond, waaruit de leiders van de stam voortkwamen.
De inwijdingriten van de Germaanse bonden hadden betrekking op de dodencultus; men werd opgenomen in een
bovennatuurlijke gemeenschap tijdens het lentefeest, waarbij
de doden werden voorgesteld door levenden, die een masker
droegen. De bisschoppen (± 850) protesteerden fel tegen deze heidense gebruiken.

Rechten en plichten van de mannenbond:
* geheimhouding
* berisping
* steelrecht
* organiseren van volksfeesten

Na de kerstening bleven de riten voortbestaan in de gilden. Onder de gildevoorschriften vindt men: drinkgelag, oplezen
van de namen van de doden, rondgaan van de minnebeker. Hieruit ontstaan de excessen, die nu nog de carnaval kenmerken.

De vastelavondsoptocht vindt zijn ontstaan in het wilde heir of dodenleger, bestaande uit mannenbonden, die in het kader
van de dodenverering een ommegang hielden. Het doel van de omgang in deze eeuw is het inzamelen van gaven voor de armen (ontstaan uit het inzamelen van giften in natura als offer voor de doden om vruchtbaarheid af te smeken).
Men ging dan in huis klaargezette spijzen “stelen” (steelrecht).
De narren stelden de doden voor, die offerspijzen kwamen nuttigen. De nar (van narro: jonge man) werd steeds voorgesteld met bellen en narrenkap (denk aan narrenslee !).
Uit het narrengenootschap werd een narrenkoning gekozen, de voorloper van de carnavalsprins. Ook bestond er een narrengericht: een soort rechtspraak voor vergrijpen die geen aanleiding gaven tot officiele rechtspraak. Het vond plaats op openbare plaatsen en er werden dan voordrachten gehouden, die vooral de plaatselijke toestanden bekritizeerden (de voorloper van de “buut”) Enkele ommegangen:
* Narro en HÃnsele in het Zwart Woud
* Fetzen, Trommelweiber en Flinserln in Salzkammergut
* Sinterklazen op de Waddeneilanden
* Huttlerlaufen in Innsbruck
* Schembartlaufen in Nürnberg

Na de kerstening werd door de kerk een aantal verbodsbepalingen ingesteld:
* vermommingen werden verboden
* het was verboden afbeeldingen stoetsgewijs door de velden
te dragen
* uitdrijven van de winter in februari was heidens
* in Engeland en Noord Nederland werd de viering na de reformatie geheel verboden.

De vermommingen, vaak als dier (hert, vogel, wolf, beer) ontstonden uit het geloof, dat nadat de ziel het lichaam verlaten had, het lichaam de gedaante van een dier aannam. Als men een masker droeg, beeldde men iemand van een andere wereld uit. Op vastelavond kwamen vooroudergeesten (de gemaskerden) op bezoek, straften wetsovertreders en nuttigden de offers en gaven daarvoor in ruil vruchtbaarheid.
Een primitieve manier van vermommen was het zwart maken
van het gezicht (zwarte piet !)

Veel gebruiken duiden erop, dat de vastelavond een
vruchtbaarheidsfeest was. De nieuwe gewassen, zoals sla, werden dan gezaaid, veel bruiloften vonden plaats op vastelavondsmaandag en de eerste bloei was dan te bewonderen (sneeuwklokjes) Na de vastelavond werden de wintergeesten, in de vorm van een stroman, verbrand. Het vele, overvloedige eten tijdens deze dagen voorspelde een goede oogst. Vastelavond betekent in dit verband ook: drie vette dagen, fettisdag (Zweden), mardi-gras (Frankrijk): vette dinsdag.
Ook komt voor: vette donderdag; een dag van weinig werken,
veel eten, de aanloop voor de vastelavond. In het oude Keulen genoten vrouwen op deze donderdag bijzondere voorrechten (Weiberfastelabend) De maand februari stond in het teken van de vrouw; bijna elke dag is aan een vrouwelijke heilige gewijd. Vandaar het Duitse “Weibermonat” of het Limburgse “Wievermoandje”.
In februari waren de vrouwen de baas, vooral op Maria-Lichtmis (2 februari) Op 29 februari kregen de vrouwen de vrijheid een man ten huwelijk te vragen. Nu nog zijn de resten te merken: het Sittardse Marottenbal, Weiberfastnacht, Ouw-wieverbal.

Zoals gezien is de vastelavond ontstaan uit de oude religieuze
riten van een landbouwende bevolking. Later is dit boerenfeest in de grote steden doorgedrongen en deed het woord carnaval zijn intrede. De nieuwe vorm van vastelavond komt uit het Frankenland en is via het Rijnland doorgedrongen in ons land. Na 1820 werden veel carnavalsverenigingen opgericht:
* 1823 Keulen
* 1835 Dusseldorf
* 1839 Momus (Maastricht)
* 1843 Jocus (Venlo)
* 1882 Oeteldonk (Den Bosch)
* 1900 Marotte (Sittard)
* 1936 Kerkrade KVV 1936

In het noorden van Nederland, waar het feestvieren zich beperkt tot de feestzalen, in tegenstelling tot het straatcarnaval in het zuiden, bloeide de viering pas na 1945
op. De gebruiken vertonen lokale en regionale verschillen, die
samenhangen met stad, streek of dorp. Oorzaak is een soort chauvinisme, maar ook een doelbewust handhaven van de plaatselijke cultuur door narrengenootschappen, die zich zelfs ten opzichte van vreemdelingen constant van de streektaal bedienen. Vastelavondskranten en proclamaties zijn dan ook altijd in het dialect. Als carnaval de lokale sfeer weet te handhaven, dan is het feest geslaagd. Elke plaats heeft zijn eigen tradities, die door vreemdelingen vaak worden misbruikt. Noorderlingen, die op losbandige wijze meedoen aan feesten in Brabant en Limburg interpreteren de kreet “A ge mer leut et” anders dan zuiderlingen, die het feest zinrijk en stijlvol vieren. Het blijkt dat de gesuggereerde geboortepiek in november in Limburg niet voorkomt. Het aantal gedwongen huwelijken in deze provincie ligt overigens beneden het gemiddelde van Nederland. Excessen tijdens de carnaval blijken weinig voor te komen en houden vrijwel nooit verband met dit feest.

ALAAF

(c) Drs. Fransen – Roermond